Niveau Groen

  1. Kaartsymbolen niveau 2: kennis van de kaartsymbolen. 
  2. Kaart oriënteren kaart mbv terreinkenmerken en kompas: enerzijds een IOF-kaart kunnen oriënteren obv terreinkenmerken (kaartsymbolen niveau 2) en anderzijds een IOF-kaart naar het noorden kunnen leggen mbv kompas
  3. Terreinkenmerken herkennen langs de paden: kaartsymbolen niveau 2 op de kaart, herkennen in werkelijkheid.
  4. Oriënteren over de paden/wegen: de weg naar de post (op max. 30m van de weg of pad) vinden door gebruik te maken van wegen en paden.
  5. Herkennen en gebruik maken van lijnkenmerken: duidelijke lijnkenmerken, zoals muur gebouw, droge gracht, vegetatiegrens, berm kunnen herkennen in werkelijkheid en deze kunnen volgen op weg naar een post.
  6. Duimcontact: met je duim of met de hoek van je duimkompas uw route op de kaart kunnen volgen.
  7. Kaart vouwen: kaart plooien zodanig dat de omloop (of min. enkele benen) volledig zichtbaar blijft en dat je met je duim kan blijven volgen.
  8. Posten prikken naast het pad: terreinkenmerken dichtbij een pad, waar de post staat, kunnen vinden.
  9. Weten wat te doen bij verdwalen:
    • terugkeren naar een vorige post
    • blijven zitten op pad/weg (bij voorkeur bij een post, als je deze nog kan terugvinden)
    • op een fluitje blazen: 5x kort na elkaar en dan een tijdje wachten (bv. tot 30 tellen)
    • een andere oriëntatieloper aanspreken
    • NOOIT ronddwalen
    • blijven wachten tot er iemand komt